Wijzigingsbevoegdheid en de overgang van bestemmingsplan naar omgevingsplan.

Op dit blog schrijven wij over het laatste nieuws met betrekking tot de Omgevingswet en andere relevante ontwikkelingen in het omgevingsrecht. Elke twee weken verschijnt daarom een nieuw deel met onderwerpen die leven in de praktijk van het omgevingsrecht.

De grote verandering in het omgevingsrecht

Om de transitie van bestemmingsplan naar omgevingsplan te regelen is in juli 2018 het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet bij de Tweede Kamer ingediend. Zoals de naam al aangeeft zorgt deze wet voor een goede invoering van het nieuwe stelsel. Belangrijk bij een goede invoering van een stelselwijziging is het overgangsrecht. Hiermee wordt de juridische status en werking van rechtsfiguren onder het oude stelsel geregeld. Niet elke gemeente heeft straks immers alle bestemmingsplannen omgezet in een omgevingsplan. Gemeenten moeten daarvoor de tijd krijgen en dat is precies wat de Invoeringswet Omgevingswet regelt.

Overgangsrecht

De kern van het overgangsrecht wordt gevormd door het voorgestelde artikel 22.6 Omgevingswet. Dat artikel bepaalt dat figuren uit het oude stelsel niet worden gewijzigd of vervangen, dit heet het tijdelijke deel. Wanneer een ontwikkeling plaatsvindt waarbij regels moeten worden gewijzigd kan dat alleen maar door de regels of het gebied uit het bestemmingsplan (tijdelijk deel) te ‘knippen’ en in het nieuwe deel (het omgevingsplan) de gewenste regels op te nemen. Hierdoor wordt het tijdelijke deel steeds kleiner terwijl het nieuwe deel in omvang toe neemt.

Flexibiliteit

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan kan de planwetgever niet alle toekomstige gebeurtenissen voorspellen. Daardoor kan het voor komen dat een plan als het ware door de tijd wordt ingehaald. Een oplossing voor dit probleem wordt vaak gevonden in het bieden van binnenplanse flexibiliteit. Een van die vormen van flexibiliteit is de wijzigingsbevoegdheid. Met een wijzigingsbevoegdheid is het voor het college van burgemeester en wethouders mogelijk om een deel van het bestemmingsplan op een later tijdstip te veranderen. Waar eerst bijvoorbeeld een park toegestaan is, kan het college de regels wijzigen zodat woningen zijn toegestaan. Wat gebeurt er nu eigenlijk met deze wijzigingsbevoegdheid na de invoering van de Omgevingswet.

Wat zegt de Invoeringswet?

Op dit punt is de Invoeringswet niet duidelijk. Zoals gezegd mogen zaken uit het oude stelsel niet meer gewijzigd worden. Deze zijn als het ware bevroren. Toch heeft de Invoeringswet voor veel andere regels die een bestemmingsplan ‘wendbaar’ moeten maken wel in een speciale regel voorzien. Zo komt de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen in het bestemmingsplan terug als een zogenaamd ‘maatwerkvoorschrift’. Over de wijzigingsbevoegdheid zwijgt de wettekst. In de toelichting op de Invoeringswet echter staat de wetgever wel overgangsrecht voor de wijzigingsbevoegdheid wil maken. Zoals het nu is opgeschreven is er dus een strijdigheid tussen wettekst en toelichting. Aangezien de wettekst leidend is gaan we daar van uit en kan een wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in het bestemmingsplan niet meer gebruikt worden na 1 januari 2021.

Praktisch

Gezien het voorgaande kan na 1 januari 2021 geen gebruik meer worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid zoals die dan in het omgevingsplan (als opvolger van het bestemmingsplan) is opgenomen. Op het moment dat een dergelijke ontwikkeling dan aan de orde is zal daarom gekozen moeten worden voor een planwijziging of voor een omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van het plan. Bij de beoordeling van een dergelijk initiatief kan dan uiteraard alsnog gebruik worden gemaakt van de voorwaarden waaronder de wijzigingsbevoegdheid mocht worden ingezet.

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.